Water

Stad was vol.
Met ellebogen werkten straten zich op tegen huizen.
Oorverdovend vergruizen van baksteen sloeg echoënd flat tegen flat.
Pogend hun groen te bewaken zogen parken zich vol
met bootcamps en bierfestivals.

Straatnaambordjes klampten zich vast
hun benarde positie bewakend, maar belandden
tevergeefs bedankt
in een steeg.

Roerloos lag water in haven
beraadde zich
en voor ze de volgende werd
pakte ze haar biezen
en vluchtte naar Oost-Groningen.

Advertenties

Dag lieve.

mijn tegel is drie vierkante m.
lang niet precies lang genoeg
pluizige bosjes bedden me in
de zomer kietelt mijn rug
in de winter mijn buik

voorzichtig peuter ik dan
met dunne, witte stralen
de kap van mijn kop

zonder kraken
til ik haar op een kier
en na jaren proberen
ontsnap ik van mijn zachte steen
spring ik zo de ruimte in

Speeltuin.

Deze tekst schreef ik voor de voorstelling ‘Rotterdam Me’ van Geert Vermeegen en is al dan niet opgevoerd tijdens het Springplank Festival in Studio de Bakkerij, Rotterdam. 

 

De dikke schuifdeuren sloten voor onze neus. Hoewel de melodie verstomde, bleef het oude ijzer dreunen op de dringende beats. Alle ruimte. Anders dan de volgepropte vierkante meter waarmee eerder die avond menigte na menigte naar de grote zaal werd getild. Met mijn armen gespreid draaide ik rondjes om mijn as, zonder de muren te raken. Luid krakend kwam het beest in beweging.

We wiegden op de maat die door de vloer van de lift trilde. De ene na de andere diepe zucht rolde uit me. Dwars door de dansjes sloten Wes’ armen zich om me heen. Hij was niet veel groter dan ik. Zijn mooie hoofd gesierd met een volle baard en om zijn nek een dun, gouden kettinkje. Het ijzer was ons huis.

De deur ratelde weer open. Eigenlijk wilde ik de lift niet verlaten. Wes’ hand in mijn rug stuurde me naar ons uitzicht waardoor ik weer scherp zag. Voor ons een glazen gang, met aan het einde een deur tot een overhangende hemel. Ik zat in Alice in Wonderland. Misschien duurde de tocht een uur. Aan het eind van de gang opende Wes de deur met een druppel aan zijn sleutelbos. Hand in hand liepen we het dak op. De muziek pulseerde als een hartslag uit het gebouw en omlijste onze speeltuin. Aan zijn hand danste ik naar ik naar de rand.

Maashaven fonkelt kalm. De snaren van de grote brug spelen met ons mee in de nacht. De strakke kou mengt met jouw geur. Klamme handen op elkaar en warme lichamen. Niets dan wij past nu beter op dit betonnen blok.

Vintage.

In april bracht Jacques van der Schans de bundel ‘Het Gezicht achter het Gedicht’ uit. Hij vroeg 23 dichters te schrijven over fotografie en maakte van de dichters een portret. Ik werd door Jacques benaderd om mee te werken aan dit project. Naast de bundel waarin zowel de gedichten als de foto’s te zien zijn, organiseerde hij een mooie expositie van de foto’s in Tilburg.

image-2017-05-03

 

Vintage. 

Een kort meisje beroert een anders stille
kamer. Met haar entrée wandelt een lichtstraal

door de kier van de deur en legt zich
over een heuphoge bijzettafel. Een enkele

fotolijst prijkt daar met zilveren rand op gehaakt
textiel. Het meisje staart met blauwe ogen,

maar dat doet niets voor de kleur. Zijn bewoner
lacht in zwart en wit, met strakke scheiding

in zijn glimmend haar. Zonder einde speurt
zij naar bevroren rimpels die ze zelf bedacht.

Er is niets buiten deze foto.
En de slecht belichte kamer doet de wereld

voor zoals die ooit was. In zwart en wit.
Dat hebben de camera’s destijds goed vastgelegd.

 

Amant.

naar Hans van Arp

ik wil alleen nog de dauw vermelden
die dagelijks het donker doopt met haar je ne sais quoi
geen schemerverschijnsel zo zacht

nog voor de wereld wakker werd
kleefde het gras aan mijn tenen
vulde ze mijn voeten
om vijf uur kledder vochtig

in de paarse waas van heide
hechtte ik mij ook aan haar
zuiver gemutst

Non-activisme in een tijd van FOMO

Dit essay was mijn inzending voor de ‘Essaywedstrijd 2017’ van #ikschrijf. Een wedstrijd met als doel het doorbreken van de vrouwenstilte in het publieke debat. 

De kerstdagen zijn een tijd bij uitstek voor het voeren van discussies. Een combinatie van een comfortabele omgeving, contrasterende opvattingen en een zekere mate van alcoholconsumptie zorgen gewoonlijk voor goede gesprekken. Zo vond ik mijzelf deze kerst bij mijn schoonfamilie in een conversatie over het feit dat ‘onze generatie’, laten we zeggen de 23 tot 33 jarigen van nu, nooit de straat op gaat om te demonstreren en zich niet hard maakt voor de dingen waarin ze gelooft. Een constatering die mij ook vaak verwondert. In mijn omgeving lijkt iedereen op de hoogte van huidige maatschappelijke ontwikkelingen en er over praten wordt zeker niet geschuwd. Tegelijkertijd ken ik nauwelijks iemand die echt actie onderneemt naar aanleiding van zijn of haar standpunten. Hoe kan het nou zo zijn dat we ons allemaal bewust zijn van de urgentie van het klimaatprobleem en er eigenlijk niemand ook maar een vinger uitsteekt om er echt iets voor te doen? Vlak na dit onderwerp zette tante een monoloog in over zoonlief, 32 jaar. Volgens zijn moeder beseft hij niet hoe gezegend hij wel niet is met de jeugd die hij heeft gehad. Als kind liep hij in de mooiste kleding, mocht alle sporten uitproberen die hij maar wilde en kwam nooit iets tekort. Hij toont volgens haar té weinig waardering voor deze zegeningen. Een herkenbare discussie waar weinig tegenin te brengen valt. Op enkele bedenkelijke blikken na, bleven de nichtjes en neefjes dan ook stil. Een generatie die is grootgebracht met het idee dat zij ‘niks te klagen’ heeft. Geen wonder dat we nooit de straat op gaan.

Ons non-activisme komt natuurlijk voort uit meer dan een ongemakkelijk soort schuldgevoel voor ons eigen geluk. Er zijn allerlei andere zaken die er aan bijdragen. Niet in de laatste plaats gaat onze welvaart gepaard met een zee aan mogelijkheden. We konden als kinderen alles worden wat we maar wilden, de hele wereld lag aan onze voeten en het plan was zo rond onze mid-20s een redelijk stabiel bestaan te hebben opgebouwd. Uit die cocon de echte wereld in kruipen is voor sommigen best een shock. Dromen lopen in het honderd, sociale contacten onderhouden kost moeite en ons gemiddelde 25e levensjaar gaat gepaard met een burn-out.

Daarbij komt dat we de eerste generatie zijn die opgroeide met het internet. Wij creëerden als een van de eersten een online identiteit. Toen we twaalf jaar oud waren was het super belangrijk welke smileys je in je MSN-naam had staan en hoeveel ‘krabbels’ je had op Hyves. Die online identiteit werd in een kleine 15 jaar bijna net zo belangrijk als die in de fysieke wereld. Bij het zien van likes maken we de verslavende stof dopamine aan. Zo zijn we collectief verslaafd geraakt aan online erkenning. Deze digitale druk gaat voor veel mensen van mijn leeftijd hand in hand met FOMO, fear of missing out. Ze willen overal bij zijn, alles mee maken, de aller-, aller- leukste baan hebben en zo ver mogelijk op vakantie om continue het maximale uit het leven te halen. In combinatie met het gegeven dat (min of meer) alles mogelijk is voor ons, zorgt dit bij sommigen voor enorme keuzestress. Als je voor je gevoel niet de juiste keuze maakt en anderen op Instagram en Snapchat wél continu de tijd van hun leven lijken te hebben, stijgt de FOMO én de stress over een volgende keuze. Een vruchtbare voedingsbodem voor het groeiende aantal psychische klachten onder jongeren. En als werken aan onszelf al zoveel voeten in de aarde heeft, hoe maken we dan een begin aan de wereld om ons heen?

  De meeste 20-somethings hebben daarnaast maar weinig vertrouwen in de overheid, worden door de digitale nabijheid van mondiale drama’s afgestompt voor heftige gebeurtenissen en krijgen haast continu een versnipperd en vaak subjectief informatie overschot binnen. Voeg hier een populistisch en polariserend publiek debat aan toe en we gaan er voor het gemak maar vanuit dat we niets en niemand kunnen geloven. We delen onze mening online met meer gemak dan ooit, wapperen eens met een e-dentifier voor een goed doel, en hebben zo al snel het gevoel een steentje bijgedragen te hebben.

Uiteindelijk verraste het aantal demonstraties vandaag de dag in Nederland me behoorlijk. De NOS deed in 2015 een klein onderzoek waaruit bleek dat er wekelijks zo’n 34 demonstraties zijn in Nederland. Het zwaartepunt daarvan ligt echter sterk in de randstad, met name in Den Haag, en de opkomst is aanzienlijk lager dan jaren geleden. Daarbij zijn er nauwelijks demografische gegevens van de demonstranten. Ik vraag me dus af hoeveel van hen enigszins in de buurt van onze leeftijdsgroep komen. We kunnen in elk geval wel stellen dat mijn generatie minder betrokken is dan het gros van de jongeren zo’n veertig jaar geleden. Waar in 1983 het uitzonderlijke aantal van 550.000 mensen zich verzamelden in Den Haag om te protesteren tegen het plaatsen van kruisraketten in Woensdrecht, maakten we in 2011 enkel grappen over de groepjes Occupy-tenten. Ons non-activisme blijkt misschien nog wel het meest duidelijk uit het feit dat we de grootste ramp in de geschiedenis van de mensheid zonder teveel protest over ons heen laten komen. Een ramp die ondertussen heeft geresulteerd in de plastic soep in onze oceanen, een massa afgedankte kleding die rondwaart op Haïti, uitgeputte landbouwgronden door Monsanto’s wanpraktijken en, ohja, het broeikaseffect. Het is makkelijk en niet terecht om direct onze ouders te beschuldigen van deze problematiek en naar hen door te verwijzen. Het consumentisme en kapitalisme was lange tijd geoorloofd zonder duidelijk zichtbare consequenties. Persoonlijke behoeftebevrediging werd door onwetendheid belangrijker dan mondiaal welzijn. Maar wij kénnen de situatie. We kunnen onze kinderen niet meer vertellen dat ze niets te klagen hebben. Als we niets doen en de situatie verslechtert, is dat wél onze verantwoordelijkheid en moeten de generaties na ons de consequenties dragen. Een reactie plaatsen of Tweet sturen is in dit stadium gewoon veel te weinig.

Naast activisme zijn er andere manieren om je in te zetten voor een beter klimaat. En dat gebeurt ook. Een aangepaste levensstijl en groene initiatieven krijgen in delen van onze maatschappij een steeds grotere plek. Nederland investeert in windparken, het gasgebruik in ons land wordt geremd en groene energie gestimuleerd. Ook bottom-up gebeurt er steeds meer op dit gebied. Repair-cafés en buren-communities voor het lenen van elkaars spullen duiken overal op. De vleesconsumptie in Nederland slinkt al jaren en het kopen van tweedehands kleding wordt steeds populairder. Maar een gezamenlijk, activistisch geluid ontbreekt. Alsof een enthousiaste klas een groepsleider moet kiezen en plots iedereen naar het puntje van zijn schoenen zit te staren.

Het lijkt me duidelijk dat er genoeg redenen zijn die de ‘jeugd’ belemmeren in hun activisme. Maar de urgentie voor het stoppen van multinationals die ons naar de afgrond helpen is nog nooit zo hoog geweest. En om dat te bewerkstelligen moeten we samen geluid maken. Een collectieve gedrevenheid voor het overleven van de aarde moet belangrijker zijn dan persoonlijke behoeften bevrediging, dan Snapchat, dan FOMO. We moeten ons verantwoordelijk gaan voelen voor onszelf en onze maatschappij, elkaar een schop onder de kont geven en onze gezichten naar elkaar en de wereld keren. Waar staan wij samen voor? Ik denk dat geen enkel persoon tussen de 25 en 30 in Nederland daar antwoord op kan geven. Laten we het met elkaar hebben over wat we belangrijk vinden in onze samenleving. Wat is ons doel? Welke waarden streven we na? Wij zijn de generatie bij uitstek die in minder dan 3 minuten via Google heeft gevonden waar en hoe de kleding van de Primark gemaakt wordt. Kunnen we dat tegenover onszelf rechtvaardigen, en belangrijker; tegenover de generaties na ons? Als we onze standpunten vaststellen en eerlijk nagaan hoe onze levensstijl daarop aansluit zien we vanzelf de pijnpunten. Pas als we weten wat we nastreven en zien dat dit niet lukt, kunnen we er iets aan doen. Wat willen we? Als we dat helder krijgen en ervoor gaan staan, volgt de noodzaak om te demonstreren. Bovendien hebben we dan een onderwerp minder tijdens het kerstdiner dat kippenvel bezorgt en gaat onze aardbol misschien nog een poosje langer mee.

Cultuureducatie biedt tegenwicht

Deze column schreef ik voor Kinderkunstplein en verscheen daar eerder vandaag. 

We leven in een wereld van eindeloze informatiestromen en communicatie. Ik mocht op de middelbare school één uur per dag via de inbel-verbinding online. Het was superbelangrijk wat je klasgenoot in haar MSN-naam had staan en hoeveel krabbels je had op Hyves. Nu werk ik als marketeer voor educatie bij Het Nieuwe Instituut. Social media heeft ondertussen een grote plaats gekregen in de wereld van kinderen en jongeren. De creativiteit en kunde waarmee zij content maken in apps als Instagram, Snapchat en musical.ly verrast me keer op keer. Maar ik zie hiervan ook de keerzijde. Mobiele telefoons zijn altijd aanwezig, er ligt druk op de juiste pose, uitdrukking, filter en hashtag en een misstap wordt snoeihard afgerekend. 

Cultuureducatie kan in deze wereld een belangrijk tegenwicht bieden. De interactie met kunst en cultuur leerde mij dat je inhoud en gevoel op de meest uiteenlopende manieren kan presenteren. Bij Het Nieuwe Instituut worden digitale media ingezet als middel om kinderen en jongeren design en architectuur te laten ontdekken. Apps ondersteunen vaak onze workshops doordat ze uiteenlopende maak- en programmeer functies hebben. Vormen hoeven hierbij niet altijd perfect of zelfs mooi te zijn. Door cultuur zó te beleven en er met een goed educatie-programma actief mee aan de slag te gaan, ontdekken kinderen en jongeren nieuwe kaders. Ze zien dat de afwijking vaak júist het beste werkt en mag worden gevierd.