Speeltuin.

Deze tekst schreef ik voor de voorstelling ‘Rotterdam Me’ van Geert Vermeegen en is al dan niet opgevoerd tijdens het Springplank Festival in Studio de Bakkerij, Rotterdam. 

 

De dikke schuifdeuren sloten voor onze neus. Hoewel de melodie verstomde, bleef het oude ijzer dreunen op de dringende beats. Alle ruimte. Anders dan de volgepropte vierkante meter waarmee eerder die avond menigte na menigte naar de grote zaal werd getild. Met mijn armen gespreid draaide ik rondjes om mijn as, zonder de muren te raken. Luid krakend kwam het beest in beweging.

We wiegden op de maat die door de vloer van de lift trilde. De ene na de andere diepe zucht rolde uit me. Dwars door de dansjes sloten Wes’ armen zich om me heen. Hij was niet veel groter dan ik. Zijn mooie hoofd gesierd met een volle baard en om zijn nek een dun, gouden kettinkje. Het ijzer was ons huis.

De deur ratelde weer open. Eigenlijk wilde ik de lift niet verlaten. Wes’ hand in mijn rug stuurde me naar ons uitzicht waardoor ik weer scherp zag. Voor ons een glazen gang, met aan het einde een deur tot een overhangende hemel. Ik zat in Alice in Wonderland. Misschien duurde de tocht een uur. Aan het eind van de gang opende Wes de deur met een druppel aan zijn sleutelbos. Hand in hand liepen we het dak op. De muziek pulseerde als een hartslag uit het gebouw en omlijste onze speeltuin. Aan zijn hand danste ik naar ik naar de rand.

Maashaven fonkelt kalm. De snaren van de grote brug spelen met ons mee in de nacht. De strakke kou mengt met jouw geur. Klamme handen op elkaar en warme lichamen. Niets dan wij past nu beter op dit betonnen blok.

Advertenties

Lobby.

“Ik hoor het nog steeds. Hoor je dat? Ik ben benieuwd of je het op video hoort. Het is een soort geklik… Of getik…” het beeld toont een jonge man die, met een wenkbrauw opgetrokken, om zich een kijkt. Er is geen geluid dat tot tikken, klikken of zelfs druppen zou kunnen worden gerekend. “Maf, ik zie echt niet waar dit nou vandaan komt… Maar goed. Hoi allemaal; ik zei het net al, ik ben zojuist aangekomen in Vallstena. Dit is een minuscuul dorpje op het eiland Gotland in de Oostzee. Dit eiland hoort bij Zweden, maar heeft een geheel eigen cultuur…” Zichtbaar geïrriteerd kijkt hij weg van de camera. “Shit. Ik blíjf het maar horen, deze onzin verpest mijn video…” De lens keert van de man af. Het beeld draait ondersteboven en toont een glimp van een verlaten lobby. De aardetinten op de muur complimenteren het vaalrode vloerkleed en de houten incheckbalie. Snel daarna wordt de camera hoorbaar neergelegd en valt het beeld stil op de zijkant van een klassieke Chesterfield fauteuil.

Na een paar seconden zijn gedompte voetstappen te horen die telkens opnieuw afnemen en weer opzwellen in volume. Het beeld blijft stil. Tot het, heel langzaam en zonder aanwijsbare reden, een paar centimeter lijkt te verschuiven. Achter de Chesterfield wordt een lange, nauwe gang zichtbaar die uitkomt op een goud-koperen hek in wafelpatroon.

“Wat de… Hallo?” Voetstappen snellen dichterbij en de camera wordt ruw opgepakt. Door de snelheid van het rondzwaaiende apparaat is er niet veel meer te zien dan een scala aan licht gekleurde strepen. Plotseling is het gezicht van de man weer in beeld, dichtbij nu. Zo dichtbij dat er minuscule zweetdruppeltjes te zien zijn die ontsnappen uit zijn voorhoofd. Hij lijkt opgejaagd, geschrokken misschien. “Ik weet niet…”, klinkt het uit zijn mond. Zijn lippen rood en vochtig, alsof hij er zojuist hard in heeft gebeten. “Ok. Dit klinkt waarschijnlijk óf ontzettend creepy óf alsof ik het hier volledig aan het verliezen ben, maar… Ik ging net kijken waar dat geluid nou vandaan kwam en ik zou echt zweren dat er iemand van achter de balie naar me toe liep. Echt, daar liep gewoon iemand. Ik keer me weer om en er is niemand”. Langzaam draait het gezicht van de man weer weg en glijdt de camera langzaam langs een panorama van de lobby. Nog steeds uitgestorven. Opnieuw is daar het gezicht van de man, nu ruim passend in de lijst van de lens. “Misschien moet ik dit tot uitstellen tot…” tijdens zijn woorden kruipt een diepzwarte schaduw over de muur achter hem.

“Argh!”, hij gilt en met een doffe bonk valt de camera op het tapijt, gericht op het einde van de gang. De man rent de diepte in, smijt het hek opzij en vlucht naar binnen, gevolgd door een donkere gedaante. Schimmen vermengen zich in de verte en een oorverdovend gebonk versmelt met hoge belletjes, waarna de ruimte in zijn geheel in het plafond verdwijnt. Het beeld wordt zwart.

Loch.

Hij wist dat de vrouw aan de andere kant van de lijn nog praatte, maar al klemde hij de telefoon met stalen grip tegen zijn hoofd, het geluid bereikte zijn oor niet langer. En met het wegsterven van haar stem verstilde ook de wereld. Het was alsof zijn voeten de vloer niet meer raakten, hij centimeters boven het open balkon zweefde. Het aanbeeld van het meer aan de voet van het huis was statisch. Als een foto met hoge resolutie, bewerkelijk met een paar klikken van de muis. Alsof hij er zo een vissersbootje, met over de rand een luchtig uitstekende hengel in kon photoshoppen. Elk moment kon de vislijn beginnen met trekken, opgezweept, gevolgd door een jongen die zich verschrikt uit een middagdutje omhoog wierp uit de boot.

In deze eindeloosheid fixeerde hij zijn blik op het water. Waar zojuist nog golfjes speelden fonkelde de zon in een strakgetrokken deken. In het oosten was de bergkam te zien waartegen het water zich vleide en in het westen verdween het in de verte. De dikke wolken, verstijfd in de lucht, plaatsten donkere schaduwen op het kleine plezierjacht dat voor anker lag in de verte en de lukrake verzamelingen van waterlelies op het oppervlak. Het water was troebel. Hij liet zich ooit door de dorpelingen vertellen dat dat door de constante aanvoer van veen en slib kwam. “In troebel water schuilen meer geheimen”. Toch had hij ooit de bodem gezien.

Deze tijd van het jaar was het water stervenskoud, maar alles wat hij op dit moment voelde was de drang zich naar het meer te snellen en een duik te nemen. Deze neiging overviel hem in een intense puurheid, een instinct, als het wegtrekken van je vinger wanneer deze verbrandt. De koude zou hem bevangen, hij zou aan niets anders kunnen denken. Duizenden naalden zouden elke porie van zijn lichaam doorboren en openrijten. Ondanks de pijn zou hij, intuïtief dieper en dieper het water splijten, reikend met zijn armen uit pure wanhoop, tot hij de kleine hand van zijn evenbeeld zou voelen. En met verkrampte, stijve ledematen werkte hij hen dan naar boven. Waar blauwen gezichten langzaam weer kleur zouden krijgen.

Zilte lucht vloog over het water, sloeg hem in zijn gezicht en deed hem weer landen op het balkon. Een traan liep kriebelend over zijn wang. Hij schudde zijn hoofd. De enig boot die vandaag voor lag was het kleine jacht. De telefoon vond hij terug op de grond tussen een stapel papier, naast zijn opengeslagen laptop en de tafel waarachter hij zojuist nog zat.

World Nomads: Ilse of Water

Een poosje terug deed ik mee aan een schrijfwedstrijd van World Nomads. Niets gewonnen, maar ik kan jullie nu wel een kijkje geven in mijn allereerste duik avontuur in Indonesië. Mocht je ooit de kans krijgen; ga duiken!! Klik hier voor de originele post.

Gili air. An island as ever you’d imagine one.

thumb_IMG_0461_1024
Gili Air

I find myself on the side of a boat filled with oxygen tanks and fins. A cramped wet-suit protects my back from burning even more red. Nervous and sea-sick, I stoically repeat the lessons I learned in the swimming pool the days before.

Behind me the island is growing smaller. Its beaches filled with boats of all sizes, made with typical wide-spread pontoons. An hour-and-a-half walk took me around the island on my first night. Bamboo tents playing reggae music alternated with empty, pearly beaches. A welcome oasis after the smog-filled streets of Java. The touristy atmosphere of the tiny island is well compensated by its extremely hospitable natives, the absence of motor vehicles and laid back mood.

This is it then. A mixture of fear and excitement gathers in my stomach and soon races through the rest of my body. I take my seat on the edge of the boat, cross my legs, put one hand behind my head, the other over my regulator and let myself fall backwards into the sea. For a moment, up is down and vice versa.

During the descent, Joe, my instructor, looks me deep in the eyes. ‘Are you ok?’ I’m not. Half way down my ears hurt like crazy. Anxiety is getting to me. Without words, Joe tells me to stop being a pussy.

Complete weightlessness. I’m floating one foot above the bottom of the sea. Tiny, colorful fishes surround me and I cannot stop watching. I have to control my excitement: Deep, controlled breaths… The ocean’s surface is high above me like a glittery ceiling.  Visions of me as a five year old playing mermaid in the bathtub flash by. I’m on cloud nine.

It takes a while before I  establish the perfect amount of air in my jacket which makes me float gently in the soft current. There’s a reef dooming up in front of us. A whole new world is forming: vivid colors in an uncountable number of shapes, covered in thousands of the brightest fish in any color you can image. The first rule in diving, well ok, except for the safety rules preventing you from dying, is to NEVER TOUCH ANYTHING. Afraid to do so, I fly above the gorgeous scenes; breathless. Joe turns around with excited eyes, pointing out something in front of him: A turtle! Chill as can be it seems to enjoy the corraly delicacies. I cannot get enough.

With the first gap of fresh air in the world above, I realize I forgot about my ears completely, even though they still hurt like hell.