Vintage.

In april bracht Jacques van der Schans de bundel ‘Het Gezicht achter het Gedicht’ uit. Hij vroeg 23 dichters te schrijven over fotografie en maakte van de dichters een portret. Ik werd door Jacques benaderd om mee te werken aan dit project. Naast de bundel waarin zowel de gedichten als de foto’s te zien zijn, organiseerde hij een mooie expositie van de foto’s in Tilburg.

image-2017-05-03

 

Vintage. 

Een kort meisje beroert een anders stille
kamer. Met haar entrée wandelt een lichtstraal

door de kier van de deur en legt zich
over een heuphoge bijzettafel. Een enkele

fotolijst prijkt daar met zilveren rand op gehaakt
textiel. Het meisje staart met blauwe ogen,

maar dat doet niets voor de kleur. Zijn bewoner
lacht in zwart en wit, met strakke scheiding

in zijn glimmend haar. Zonder einde speurt
zij naar bevroren rimpels die ze zelf bedacht.

Er is niets buiten deze foto.
En de slecht belichte kamer doet de wereld

voor zoals die ooit was. In zwart en wit.
Dat hebben de camera’s destijds goed vastgelegd.

 

Advertenties

Amant.

naar Hans van Arp

ik wil alleen nog de dauw vermelden
die dagelijks het donker doopt met haar je ne sais quoi
geen schemerverschijnsel zo zacht

nog voor de wereld wakker werd
kleefde het gras aan mijn tenen
vulde ze mijn voeten
om vijf uur kledder vochtig

in de paarse waas van heide
hechtte ik mij ook aan haar
zuiver gemutst

De echte discussie

Deze column verscheen op 24 november j.l. als lezerscolumn op metronieuws.nl.

We kunnen het verzetten van de klok er op afstemmen. In oktober ontstaan ze vanuit het Noorden van Europa; de grijze migratiestromen naar de zuidelijke, warme contreien van ons continent. Ook vanuit Nederland. Benidorm, Calpe, Cartagena, allen welbekende bestemmingen voor onze basterds. Een aantal weken na aankomst sturen zij steevast een uitverkorene terug, vermomd in een lange rode jas en met een puntmuts op zijn blije kop.

Alsof we het niet door hadden. Jaar in, jaar uit. Maar zo niet langer. Er is een grens. De tijd om een vuist te maken is daar. Wie de demografische cijfers achter de Brexit, het Oekraïne verdrag en de presidentsverkiezingen in de US een blik gunt heeft allen helder: De oudjes moeten er uit. Conservatieve ideeën, vasthouden aan tradities en voordringen in de rij bij de supermarkt, of erger nog, gewoon instappen bij de NS voordat iedereen die trein uit is, zijn niet de enige irritaties die zich ophopen. Stijgende belastingen, een te kort aan woonruimten; er valt een massa aan problemen weg als we de oudjes weten te lozen.

Om nog maar niet te spreken over de laksheid in voedingsbewustzijn en systematisch verzaken van organisch eigenaarschap. Wie heeft er niet een achtertante die jaarlijks voor de deur staat met een lading NON-fairtrade, NON-bio, NON-eco chocoladeletters? En die, om het af te maken, aan de hele familie een Primark kersttrui kado doet. Dit is 2016, het kan zo niet langer. Ik ken geen enkele 70-plusser die rekening houdt met het gat in de ozonlaag. Het zal hun verrekken of we over 30 jaar in een nieuwe ijstijd leven, daar merken ze niets meer van.

Ze verzieken de boel terwijl wij de rotzooi mogen ruimen in de koude wintermaanden. Mensen, de vergrijzing is de splijtzwam van onze samenleving. We moeten ons niet langer voor de gek laten houden door bejaarden die stiekem troep door onze strot blijven duwen. Dat ze in Zuid-Spanje blijven, daar kunnen ze de stimulering van de economie goed gebruiken. Lekker terug naar hun tweede land. Nederland is vol, dus laat ze in hun casa in de sol resideren. Kunnen ze daar hun tanden naar de gieren helpen door chocolade van kinderhandjes te smikkelen op de playa.

Woonvisie Rotterdam

Lui schijnt de zon haar eerste stralen over de stad. Horden mensen, klein van stuk en met een camera om de nek, druppelen hun supersized bussen uit. Zoals elke dag stromen de straten vol van Delfshaven tot de Esch. Rinkelende fietsbellen en Jordaanse tongval schallen over de Westersingel waar drie combo-bakfietsen breed naast de dagopvang geparkeerd staan en een veilige doorgang per stoep onmogelijk maken. Op elke straathoek staat een kiosk waar dezelfde beeldjes te koop zijn van de Erasmusbrug, mokken in de vorm van de Markthal en zilver spiegelende stressballen met het logo van het zojuist opgeleverde Boijman-depot erop.

Een nieuwe pop-up opent haar deuren op West-Blaak. Dé place to be voor genderneutralebioecoeerlijkelactoenglucovrijedecafrappemoccachnio, te consumeren onder het genot van een neusvleugelmassage. En dat voor maar 38 euro!

Alexander is het nieuwe Oude Noorden, Nieuw Mathenesse en Lombardije waar de échte hipsters hangen. En de Rotterdammer, die heeft de stad al lang verlaten.

Zolder.

Toch kijken we over de rand van het luikgat

al maar een paar keer in een mensenleven.

Op de tweede verdieping, waar we slapen

met logeren, opent het boven de overloop

hoe dan ook gevolgd door punctie van

een eindeloze trap. Het is niet tot papa

aan het touw bij het peertje trekt en mij met

grote vingers boven zijn hoofd zwaait

dat ik met ingehouden adem om me heen

tuur. Er is hier weer helemaal niets.

Lobby.

“Ik hoor het nog steeds. Hoor je dat? Ik ben benieuwd of je het op video hoort. Het is een soort geklik… Of getik…” het beeld toont een jonge man die, met een wenkbrauw opgetrokken, om zich een kijkt. Er is geen geluid dat tot tikken, klikken of zelfs druppen zou kunnen worden gerekend. “Maf, ik zie echt niet waar dit nou vandaan komt… Maar goed. Hoi allemaal; ik zei het net al, ik ben zojuist aangekomen in Vallstena. Dit is een minuscuul dorpje op het eiland Gotland in de Oostzee. Dit eiland hoort bij Zweden, maar heeft een geheel eigen cultuur…” Zichtbaar geïrriteerd kijkt hij weg van de camera. “Shit. Ik blíjf het maar horen, deze onzin verpest mijn video…” De lens keert van de man af. Het beeld draait ondersteboven en toont een glimp van een verlaten lobby. De aardetinten op de muur complimenteren het vaalrode vloerkleed en de houten incheckbalie. Snel daarna wordt de camera hoorbaar neergelegd en valt het beeld stil op de zijkant van een klassieke Chesterfield fauteuil.

Na een paar seconden zijn gedompte voetstappen te horen die telkens opnieuw afnemen en weer opzwellen in volume. Het beeld blijft stil. Tot het, heel langzaam en zonder aanwijsbare reden, een paar centimeter lijkt te verschuiven. Achter de Chesterfield wordt een lange, nauwe gang zichtbaar die uitkomt op een goud-koperen hek in wafelpatroon.

“Wat de… Hallo?” Voetstappen snellen dichterbij en de camera wordt ruw opgepakt. Door de snelheid van het rondzwaaiende apparaat is er niet veel meer te zien dan een scala aan licht gekleurde strepen. Plotseling is het gezicht van de man weer in beeld, dichtbij nu. Zo dichtbij dat er minuscule zweetdruppeltjes te zien zijn die ontsnappen uit zijn voorhoofd. Hij lijkt opgejaagd, geschrokken misschien. “Ik weet niet…”, klinkt het uit zijn mond. Zijn lippen rood en vochtig, alsof hij er zojuist hard in heeft gebeten. “Ok. Dit klinkt waarschijnlijk óf ontzettend creepy óf alsof ik het hier volledig aan het verliezen ben, maar… Ik ging net kijken waar dat geluid nou vandaan kwam en ik zou echt zweren dat er iemand van achter de balie naar me toe liep. Echt, daar liep gewoon iemand. Ik keer me weer om en er is niemand”. Langzaam draait het gezicht van de man weer weg en glijdt de camera langzaam langs een panorama van de lobby. Nog steeds uitgestorven. Opnieuw is daar het gezicht van de man, nu ruim passend in de lijst van de lens. “Misschien moet ik dit tot uitstellen tot…” tijdens zijn woorden kruipt een diepzwarte schaduw over de muur achter hem.

“Argh!”, hij gilt en met een doffe bonk valt de camera op het tapijt, gericht op het einde van de gang. De man rent de diepte in, smijt het hek opzij en vlucht naar binnen, gevolgd door een donkere gedaante. Schimmen vermengen zich in de verte en een oorverdovend gebonk versmelt met hoge belletjes, waarna de ruimte in zijn geheel in het plafond verdwijnt. Het beeld wordt zwart.

Loch.

Hij wist dat de vrouw aan de andere kant van de lijn nog praatte, maar al klemde hij de telefoon met stalen grip tegen zijn hoofd, het geluid bereikte zijn oor niet langer. En met het wegsterven van haar stem verstilde ook de wereld. Het was alsof zijn voeten de vloer niet meer raakten, hij centimeters boven het open balkon zweefde. Het aanbeeld van het meer aan de voet van het huis was statisch. Als een foto met hoge resolutie, bewerkelijk met een paar klikken van de muis. Alsof hij er zo een vissersbootje, met over de rand een luchtig uitstekende hengel in kon photoshoppen. Elk moment kon de vislijn beginnen met trekken, opgezweept, gevolgd door een jongen die zich verschrikt uit een middagdutje omhoog wierp uit de boot.

In deze eindeloosheid fixeerde hij zijn blik op het water. Waar zojuist nog golfjes speelden fonkelde de zon in een strakgetrokken deken. In het oosten was de bergkam te zien waartegen het water zich vleide en in het westen verdween het in de verte. De dikke wolken, verstijfd in de lucht, plaatsten donkere schaduwen op het kleine plezierjacht dat voor anker lag in de verte en de lukrake verzamelingen van waterlelies op het oppervlak. Het water was troebel. Hij liet zich ooit door de dorpelingen vertellen dat dat door de constante aanvoer van veen en slib kwam. “In troebel water schuilen meer geheimen”. Toch had hij ooit de bodem gezien.

Deze tijd van het jaar was het water stervenskoud, maar alles wat hij op dit moment voelde was de drang zich naar het meer te snellen en een duik te nemen. Deze neiging overviel hem in een intense puurheid, een instinct, als het wegtrekken van je vinger wanneer deze verbrandt. De koude zou hem bevangen, hij zou aan niets anders kunnen denken. Duizenden naalden zouden elke porie van zijn lichaam doorboren en openrijten. Ondanks de pijn zou hij, intuïtief dieper en dieper het water splijten, reikend met zijn armen uit pure wanhoop, tot hij de kleine hand van zijn evenbeeld zou voelen. En met verkrampte, stijve ledematen werkte hij hen dan naar boven. Waar blauwen gezichten langzaam weer kleur zouden krijgen.

Zilte lucht vloog over het water, sloeg hem in zijn gezicht en deed hem weer landen op het balkon. Een traan liep kriebelend over zijn wang. Hij schudde zijn hoofd. De enig boot die vandaag voor lag was het kleine jacht. De telefoon vond hij terug op de grond tussen een stapel papier, naast zijn opengeslagen laptop en de tafel waarachter hij zojuist nog zat.