Non-activisme in een tijd van FOMO

Dit essay was mijn inzending voor de ‘Essaywedstrijd 2017’ van #ikschrijf. Een wedstrijd met als doel het doorbreken van de vrouwenstilte in het publieke debat. 

De kerstdagen zijn een tijd bij uitstek voor het voeren van discussies. Een combinatie van een comfortabele omgeving, contrasterende opvattingen en een zekere mate van alcoholconsumptie zorgen gewoonlijk voor goede gesprekken. Zo vond ik mijzelf deze kerst bij mijn schoonfamilie in een conversatie over het feit dat ‘onze generatie’, laten we zeggen de 23 tot 33 jarigen van nu, nooit de straat op gaat om te demonstreren en zich niet hard maakt voor de dingen waarin ze gelooft. Een constatering die mij ook vaak verwondert. In mijn omgeving lijkt iedereen op de hoogte van huidige maatschappelijke ontwikkelingen en er over praten wordt zeker niet geschuwd. Tegelijkertijd ken ik nauwelijks iemand die echt actie onderneemt naar aanleiding van zijn of haar standpunten. Hoe kan het nou zo zijn dat we ons allemaal bewust zijn van de urgentie van het klimaatprobleem en er eigenlijk niemand ook maar een vinger uitsteekt om er echt iets voor te doen? Vlak na dit onderwerp zette tante een monoloog in over zoonlief, 32 jaar. Volgens zijn moeder beseft hij niet hoe gezegend hij wel niet is met de jeugd die hij heeft gehad. Als kind liep hij in de mooiste kleding, mocht alle sporten uitproberen die hij maar wilde en kwam nooit iets tekort. Hij toont volgens haar té weinig waardering voor deze zegeningen. Een herkenbare discussie waar weinig tegenin te brengen valt. Op enkele bedenkelijke blikken na, bleven de nichtjes en neefjes dan ook stil. Een generatie die is grootgebracht met het idee dat zij ‘niks te klagen’ heeft. Geen wonder dat we nooit de straat op gaan.

Ons non-activisme komt natuurlijk voort uit meer dan een ongemakkelijk soort schuldgevoel voor ons eigen geluk. Er zijn allerlei andere zaken die er aan bijdragen. Niet in de laatste plaats gaat onze welvaart gepaard met een zee aan mogelijkheden. We konden als kinderen alles worden wat we maar wilden, de hele wereld lag aan onze voeten en het plan was zo rond onze mid-20s een redelijk stabiel bestaan te hebben opgebouwd. Uit die cocon de echte wereld in kruipen is voor sommigen best een shock. Dromen lopen in het honderd, sociale contacten onderhouden kost moeite en ons gemiddelde 25e levensjaar gaat gepaard met een burn-out.

Daarbij komt dat we de eerste generatie zijn die opgroeide met het internet. Wij creëerden als een van de eersten een online identiteit. Toen we twaalf jaar oud waren was het super belangrijk welke smileys je in je MSN-naam had staan en hoeveel ‘krabbels’ je had op Hyves. Die online identiteit werd in een kleine 15 jaar bijna net zo belangrijk als die in de fysieke wereld. Bij het zien van likes maken we de verslavende stof dopamine aan. Zo zijn we collectief verslaafd geraakt aan online erkenning. Deze digitale druk gaat voor veel mensen van mijn leeftijd hand in hand met FOMO, fear of missing out. Ze willen overal bij zijn, alles mee maken, de aller-, aller- leukste baan hebben en zo ver mogelijk op vakantie om continue het maximale uit het leven te halen. In combinatie met het gegeven dat (min of meer) alles mogelijk is voor ons, zorgt dit bij sommigen voor enorme keuzestress. Als je voor je gevoel niet de juiste keuze maakt en anderen op Instagram en Snapchat wél continu de tijd van hun leven lijken te hebben, stijgt de FOMO én de stress over een volgende keuze. Een vruchtbare voedingsbodem voor het groeiende aantal psychische klachten onder jongeren. En als werken aan onszelf al zoveel voeten in de aarde heeft, hoe maken we dan een begin aan de wereld om ons heen?

  De meeste 20-somethings hebben daarnaast maar weinig vertrouwen in de overheid, worden door de digitale nabijheid van mondiale drama’s afgestompt voor heftige gebeurtenissen en krijgen haast continu een versnipperd en vaak subjectief informatie overschot binnen. Voeg hier een populistisch en polariserend publiek debat aan toe en we gaan er voor het gemak maar vanuit dat we niets en niemand kunnen geloven. We delen onze mening online met meer gemak dan ooit, wapperen eens met een e-dentifier voor een goed doel, en hebben zo al snel het gevoel een steentje bijgedragen te hebben.

Uiteindelijk verraste het aantal demonstraties vandaag de dag in Nederland me behoorlijk. De NOS deed in 2015 een klein onderzoek waaruit bleek dat er wekelijks zo’n 34 demonstraties zijn in Nederland. Het zwaartepunt daarvan ligt echter sterk in de randstad, met name in Den Haag, en de opkomst is aanzienlijk lager dan jaren geleden. Daarbij zijn er nauwelijks demografische gegevens van de demonstranten. Ik vraag me dus af hoeveel van hen enigszins in de buurt van onze leeftijdsgroep komen. We kunnen in elk geval wel stellen dat mijn generatie minder betrokken is dan het gros van de jongeren zo’n veertig jaar geleden. Waar in 1983 het uitzonderlijke aantal van 550.000 mensen zich verzamelden in Den Haag om te protesteren tegen het plaatsen van kruisraketten in Woensdrecht, maakten we in 2011 enkel grappen over de groepjes Occupy-tenten. Ons non-activisme blijkt misschien nog wel het meest duidelijk uit het feit dat we de grootste ramp in de geschiedenis van de mensheid zonder teveel protest over ons heen laten komen. Een ramp die ondertussen heeft geresulteerd in de plastic soep in onze oceanen, een massa afgedankte kleding die rondwaart op Haïti, uitgeputte landbouwgronden door Monsanto’s wanpraktijken en, ohja, het broeikaseffect. Het is makkelijk en niet terecht om direct onze ouders te beschuldigen van deze problematiek en naar hen door te verwijzen. Het consumentisme en kapitalisme was lange tijd geoorloofd zonder duidelijk zichtbare consequenties. Persoonlijke behoeftebevrediging werd door onwetendheid belangrijker dan mondiaal welzijn. Maar wij kénnen de situatie. We kunnen onze kinderen niet meer vertellen dat ze niets te klagen hebben. Als we niets doen en de situatie verslechtert, is dat wél onze verantwoordelijkheid en moeten de generaties na ons de consequenties dragen. Een reactie plaatsen of Tweet sturen is in dit stadium gewoon veel te weinig.

Naast activisme zijn er andere manieren om je in te zetten voor een beter klimaat. En dat gebeurt ook. Een aangepaste levensstijl en groene initiatieven krijgen in delen van onze maatschappij een steeds grotere plek. Nederland investeert in windparken, het gasgebruik in ons land wordt geremd en groene energie gestimuleerd. Ook bottom-up gebeurt er steeds meer op dit gebied. Repair-cafés en buren-communities voor het lenen van elkaars spullen duiken overal op. De vleesconsumptie in Nederland slinkt al jaren en het kopen van tweedehands kleding wordt steeds populairder. Maar een gezamenlijk, activistisch geluid ontbreekt. Alsof een enthousiaste klas een groepsleider moet kiezen en plots iedereen naar het puntje van zijn schoenen zit te staren.

Het lijkt me duidelijk dat er genoeg redenen zijn die de ‘jeugd’ belemmeren in hun activisme. Maar de urgentie voor het stoppen van multinationals die ons naar de afgrond helpen is nog nooit zo hoog geweest. En om dat te bewerkstelligen moeten we samen geluid maken. Een collectieve gedrevenheid voor het overleven van de aarde moet belangrijker zijn dan persoonlijke behoeften bevrediging, dan Snapchat, dan FOMO. We moeten ons verantwoordelijk gaan voelen voor onszelf en onze maatschappij, elkaar een schop onder de kont geven en onze gezichten naar elkaar en de wereld keren. Waar staan wij samen voor? Ik denk dat geen enkel persoon tussen de 25 en 30 in Nederland daar antwoord op kan geven. Laten we het met elkaar hebben over wat we belangrijk vinden in onze samenleving. Wat is ons doel? Welke waarden streven we na? Wij zijn de generatie bij uitstek die in minder dan 3 minuten via Google heeft gevonden waar en hoe de kleding van de Primark gemaakt wordt. Kunnen we dat tegenover onszelf rechtvaardigen, en belangrijker; tegenover de generaties na ons? Als we onze standpunten vaststellen en eerlijk nagaan hoe onze levensstijl daarop aansluit zien we vanzelf de pijnpunten. Pas als we weten wat we nastreven en zien dat dit niet lukt, kunnen we er iets aan doen. Wat willen we? Als we dat helder krijgen en ervoor gaan staan, volgt de noodzaak om te demonstreren. Bovendien hebben we dan een onderwerp minder tijdens het kerstdiner dat kippenvel bezorgt en gaat onze aardbol misschien nog een poosje langer mee.

Hoe creatief schrijven mij met de neus op de feiten drukt.

Een poosje terug (8 oktober j.l.) was ik bij de Woordnacht in Rotterdam. Ik had me aangemeld als vrijwilliger en had het geluk te worden ingedeeld als artiestenbegeleidster van Kristien Hemmerechts. Aangezien zij betrokken was bij twee programma onderdelen in dezelfde zaal letterlijk náást de artiestenruimte en ze een meer dan gemiddeld intelligent persoon is, was mijn taak niet zwaar.

Mevrouw Hemmerechts gaf de Anna Blamanlezing 2016 met de titel ‘Hoe creatief schrijven de wereld kan redden’. Ze vertelde over haar eigen ervaringen als docente creatief schrijven en hoe moeilijk haar studenten het soms vinden zich in te leven in een ander: “Wie workshops creatief schrijven geeft, wordt geconfronteerd met de neiging van mensen om het vooral over zichzelf en hun gevoelens te hebben en het jammerlijke onvermogen om zich in te leven in de situatie van iemand anders.” Tijdens haar lezing bedacht ik dat mijn schrijven inderdaad voor 90% gaat over mijn eigen belevingen, eigen gevoelens en overige innerlijke rotzooi. Treffend. En dat terwijl ik de week daarop (afgelopen zaterdag) zélf aan een cursus creatief schrijven zou beginnen.

Ok, het heet Schrijftraining, maar op de website van de schrijversvakschool staat toch dat ‘onze creatieve durf wordt aangeboord’ en in de eerste les schreef ik over zowel Hiroshima, als de Nijmeegse vierdaagse, de nadelen van het leven als bestek en een uil die bang is voor zijn eigen voeten. Best creatief. Tot onze eerste huiswerkopdracht ten tafel kwam: Schrijf over de omgeving van een man die telefonisch te horen krijgt dat zijn zoon ongeneeslijk ziek is. …  Juices not so much flowing.. Ik blijk een jammerlijk 90’s kind.

9 Zeer Korte Toneelstukken

Wauw. Het is gewoon voorbij. Na maanden voorbereiding en een week lang knallen bij Het Zuidelijk Toneel en in Theaters Tilburg was dan eindelijk afgelopen donderdag en vrijdag het resultaat: 9 Zeer Korte Toneelstukken te beleven. We hebben mooie recensies gekregen, onder andere van de  theaterkrant, met speciale vermelding voor de productie (!!). Ik heb veel geleerd en genoten van mijn tijd bij Het Zuidelijk Toneel, zeker ook van Lise en Ellen van ‘N More die de productieleiding verzorgden. Nu ga ik weer super tevreden verder naar het volgende project.

2014-10-14 12.05.37

Commercialization of Culture: Paris

Just back from Paris, I am left wondering about the peculiar culture that I experienced there. Our hotel wasn’t far from Montmartre; the hill in Paris that used to be the epicentre of the bohemians. Artists such as Picasso and Van Gogh lived there at the end of the 19th century. It was a place of creativity, criticism and artistic collaboration. Works of, for example, André Gill, Suzanne Valadon and Renoir that came about ín Montmartre remind us of this. There are multiple places there, such as the Moulin de la Galette, the Montmartre vineyard and small cabaret theaters that you can still visit. You can imagine that, even being unaware to much of this information at that moment, I was excited to visist the hill.

After a day on the Montmartre hill I felt inspired, well-informed and surprised by everything we had seen. We had visited the Musée de Montmartre et Jardins Renoir; a really nice museum definitely worth a visit when you’re there. You learn about the history of Montmartre, everything about Le Chat noir and the artists that resided there in the bohemian era. Also, it is a quite place and it has beautifull gardens with a great view on Paris and the Montmartre vineyard.

2014-10-19 16.19.47
Montmartre Vineyard

2014-10-19 16.19.51
View on Paris 

2014-10-19 16.40.10
Really nice zinc bar that (supposedly) Renoir drank quite some liquor at. It was hidden in a cellar during the first world war so it wouldn’t be molded into munition or guns.

Apart from the nice things the museum offers, its tranquillity and peace in the middle of Montmartre are also a great asset. Namely, the thing that I should have known – and mentally prepare for in advance –  was the enormous amount of tourists we encountered.I felt like an ant in an anthill. Masses of people that seemed to come mainly from the US, Germany and the Netherlands and that all wanted to take a selfie with the Sacre Coeur in the back.

My imagination is well-developed so I can imagine that 130 years ago Montmartre must have been a fascinating, murmurring and, to me probably, excitingly scary place and there are still some hints to this when you really look for it. In all honesty though, the Place du Tetre, which was once a square where painters worked in peace, is now a place where two tourists per square meter are stocked and made a profile sketch of. The cute little bistro on the corner is now occupied by Starbucks and the small restaurants play Rihanna in the back ground.

As I said, I am left wondering. I myself was one of the ants on the hill. However, this commercialization of culture pained me somewhat. It seemed to me that most tourists were there ‘to have been there’ instead of to learn about the place and give meaning to their visit. The excessive amount of selfies contrasting with the quieteness of the museum directed me to believe so. The artists were there to profit from the tourists as much as possible, definitely not to drink absinth and discuss global problems. It made me think of why I wanted to go there myself. I guess the area fascinated me because of my theater- and arthistory lessons, the stories I had heard and – of course – the movies I had seen. I wanted to see it, experience it for myself and learn about what actually went on there. However, the Montmartre of today seems to be a tourist attraction more than an artistic epicentre. I would still recommend everybody to visit it; it is a nice place full of history. Moreover; I was only there for a day and could only háve a tourist experience. But in this experience I felt that the transistion of such an important area for Modern art to the commercialism it copes with today leaves only that; history.

Cultural Heritage

For the last two months I have been living in Tilburg. It feels like home, as I was born here and went to high school here. Generally, people don’t like Tilburg. It has the same notoriety as Rotterdam, of being an industrial city with hardly any charm. I used to say the same thing; “Tilburg is not a great city if you don’t know it”. Living here once again, however, I was confronted with the strong personality of the city and it’s coherent culture. It seemed that everywhere I went and the things I did were all in some way linked to the city’s cultural heritage; my cultural heritage.

Cultural heritage is a popular topic within cultural economics; tangible as well as intangible. According to researchers, cultural heritage can create multiple sorts of value such as historical, cultural and educational value (Throsby 2001; Snowball 2013) and, additionally, economic value; money. In their article ‘Cultural heritage and the attractiveness of cities: evidence from recreation trips’, van Loon, Gosens and Rouwendal (2014) argue that cultural heritage contributes to the attractiveness of cities. I agree with them, and want to contribute to Tilburg’s attractiveness by elaborating on its cultural heritage in this post.

The city of Tilburg is situated in the south of the Netherlands. During the industrialization in the early 19th century, the city expanded greatly because of its growing textile industry; a profession that had been practiced there at least since the middle of the 15th century. The city became an important factor in the fabrication of textile in the Netherlands. Most of the cities’ inhabitants worked in this industry, either at home or in a factory (Commandeur, et al., 1981). After the mechanization, the industry lost its importance for the city and in the 20th century, producing factories vanished from the city entirely. You can still recognize aspects of this history in the city.

Tilburg Kruikenzijker_Formaat wijzigen  Textielmuseum-Tilburg

The first picture shows a statue of a ‘kruikenzeiker’, which roughly translates as a jarleaker. People from Tilburg in the 17th century sold their pee to the factories that used it to clean and paint the wool. Households would have a jar in which the whole family would pee. After two centuries, people from Tilburg are still named ‘kruikenzeikers’, as this name came to be related to the Dutch carnival. The whole province knows who you mean by that name.
The second picture shows the Textile Museum of Tilburg. It exhibits the history of textile making and has evolved to a buzzing epicentre of textile manufacturing simultaneously. It is a museum in practice; offering exhibitions and educative programmes on heritage and contemporary design and art. In addition, it is the base of a knowledge-centre, which contains a workplace, laboratory and library where (inter)national designers, architects, artists and promising students are trained (Sauer, 2012) and, additionally, they host changing exhibitions of textile artists.

Next, until, let’s say, two generations ago, everybody in Tilburg used to be a Catholic. This is visible still in the many, many beautiful churches, chapels and convents in the city. Some of these are still in practice, others have been changed into elderly homes or student housing.

Tilburg-JozefHeuvelsekerk-front 53464872 250px-Tilburg,_Korvelplein_182_-_aw(s)26022014jk

01_Tilburg Bredaseweg Klooster_REDRES DSC_1674 images

I am sure that you have all had a taste of Abbey beer, and I can tell you with certainty that the best Abbey beer is made at Koningshoeven, on the country not far from Tilburg. Ever tasted La Trappe? This is where it’s made:

28593_fullimage_La-trappe-koningshoeve-3_560x350   abdij-bier-glas-ned_full

It’s only a 15 minute bikeride from the city centre and definetely worth a visit. Munks still live in the convent and the beer is made in the brewery next to it. You can do tours and even eat beer bitterballen ^^. You can check opening hours at the Koningshoeven website.

This was merely a sneak peak in the nice heritage that Tilburg offers. There are still many things to discover for myself. I recently learned for example, about the characters that Tilburg used to have. Characters such as Rooie Stien and Zotte Joke. A generation ago they were the local fools more or less and everybody knew who they were. I had to do some research on Rooie Stien a while ago, and everybody in Tilburg seemed to have his or her own story on her; fascinating. I found this movie of her on the fun fair. You see her from 2.16 onwards.

It reminded me a lot of a guy that always walks around central station here asking for 50 cents. They call him 50cent, his real name is Jan Schellekes. He does no harm, but is simply always there and thus everybody knows him. I remember he even had his own ‘Hyves’ page (the Dutch variant of Facebook).

Finally, there are some particular aspects such as the Tilburg Fun Fair (Tilburgse Kermis); the largest in Europe I have been told and the Efteling theme park, which is only 10 minutes by car. Both are, in my opinion, very much anchored in the cultural heritage of Tilburg.

I hope I have convinced you somewhat about the charm of Tilburg. Because, yes, it has a lot of charm and it is definetely worth a visit. I could go on and on, so please inform me if you want to know more about Tilburg and it’s cultural heritage. There are some nice books as well such as ‘Ge Waart Mar Arbeider’ on the history of Tilburg, or ‘Goedgetòld – diksjenèèr van de Tilbörgse taol’ on the Tilburg dialect. Both in Dutch. Also, I am very curious about special cultural heritage about your home town, or Tilburg specifically. Let me know!

Venues and Value

This august I graduated from the master program Cultural Economics and Entrepreneurhsip on the Erasmus University. The past year has been inspiring. Not only because of the courses of the program, but also because of my entrepreneurial classmates and the research I did for my master thesis. I want to elaborate a little on the latter.

IMG-20140911-WA0006

I’ve been active in the cultural sector for over five years now. It is a sector in which money is always a problem. Often, artists do not really care about selling their work. They want to create it. To make something out of nothing, put meaning into it in the most unexpected ways and change our perception in doing so. Money is not important to them and is sometimes even frowned upon. Creating for money is, overall, considered marketing, not art. There is an exhaustive discussion on the necessity of creating art autonomously, in the cultural sector and the academic world, which I will not bother you with. This time. However, in order to create (autonomously), money is often pivotal. In the Netherlands an elaborate funding system came into being from the sixties onwards. The theater sector in specific is highly reliant of this system, as production costs for theater are relatively high and experimental theater turns out not to be the most popular form of culture. It is clear that there is an interesting relation going on here between money and theater (art in general, really). It is highly necessary, yet a topic to avoid.

As the financial crisis hit, the system and its subsidies were being questioned more and more. Back then, it struck met that there were hardly any people in the cultural sector that were actually able to articulate the immense value of art and culture to a society. In the end, the sector is reliant of funds, let’s say for now because of its peculiar not-on-sales-focused functioning. We háve to be able to articulate why art is important. Why, otherwise, would anybody give the sector money? This is why I decided to question this valorization in my master thesis. I wanted to research the value and function of theater venues in Dutch society. It ended up being a valuable research in which I spoke to many people anchored in the Dutch theater sector such as Henk Scholten, Marga Kroodsma, Ronald Klamer and Freek van Duijn amongst others. In short, the research argued that:

“a theater offers a platform for the realization of values and that (…) function of theater venues is highly dependent on the community that it serves. By reporting on in-depth interviews with eight actors from varying corners of the Dutch theater sector, the structure of the sector and the function of theaters in this structure are discussed. After that, the optimization of the realization of value by theater venues is discussed. Difficulties in its structure that oppose this optimization are identified. The research ends with the presentation of a context management strategy for theater venues; a strategy that can be applied to any theater and that aims to optimize the realization of value” (Roozen 2014)

I have gotten to know the theater sector from an interesting perspective during the research and have, indeed, formed some ideas on its functioning and how to optimize its valorization. If you are interested in the research, please send me an e-mail.  The thesis reports on the current situation of the Dutch theater sector, a management strategy developed for theater venues and it enables the articulation of the value and function of theater and more generally; art.

OOG

Eyes are windows to the soul, so it is said. New Heroes and Het Zuidelijk Toneel, amongst other partners, created eyes to function as windows to the city of Den Bosch. Thus, experiencing OOG may give you an insight to the soul of the city. Or even beyond that?

OOG-Den-Bosch_De-Heus05_Pascal-Leboucq_LR-300x200

OOG is an experience. You take place in what looks like a rollercoaster seat and get ridden into the eye. What follows is, in my opinion, something that goes beyond an animation. I would recommend to experience OOG yourself, to understand what I mean with that.

I regard this artwork as urban design. The creators label it as a city artwork. It has been some weeks since I experienced OOG. It was only today though that something struck me; this has actually been the first time that I have experienced urban design as an art form. At least in the sense in which you normally enjoy a piece of art, you undergo; co-create it. I could not recall another example of urban design which you can experience in this way. I think and hope we may see such cross-disciplinary works more often in the near future.

You, yourself can now get involved with this project! OOG is actually looking for people to host the artwork during its coming run period. Not only are hosts aloud to experience OOG for free, a special meeting with the creating artist Lucas de Man is organised and hosts receive a small reimbursement for their troubles. This is your chance to get involved with this unique and innovative artform!

For more info on the project go to www.oogdenbosch.nl
To get involved as host, send an e-mail to: host@oogdenbosch.nl